In uitvoering

Haeselaarsbroek


Waterschap Limburg en Provincie Limburg hebben voor de gewone bronlibel een soortbeschermingsplan opgesteld (2022) waarin richting wordt gegeven aan herstelmaatregelen voor drie gebieden in Limburg. Een van die gebieden is het Haeselaarsbroek in gemeente Echt-Susteren. Bosgroep Zuid Nederland en gemeente Echt-Susteren gaan in 2025 aan de slag met de maatregelen uit dit plan en het eerdere herstelplan (LESA).

 

Deze pagina is met name ingericht om inwoners van gemeente Echt-Susteren en betrokkenen en andere geïnteresseerden te informeren over de plannen en werkzaamheden in dit bijzondere natuurgebied.


Achtergrond & aanleiding

 

Een waardevol natuurgebied voor dieren

Het Haeselaarbroek vervult met specifieke plantensoorten en een specifieke waterhuishouding een belangrijke functie in het voeden en het bieden van een leefomgeving aan verschillende soorten vleermuizen, de wespendief, de oehoe, de boomkikker en de gewone bronlibel die hier tot voor kort voorkwam.

Grote diversiteit aan planten in afwisselend gebied

Het Haeselaarsbroek is van oorsprong een zeer nat en open heidegebied met natte graslanden (een kwelmoeras). Het gebied bestond voor 1995 uit bos en landbouwgronden en is in 1995 heringericht. Binnen tien jaar is hier een zeer waardevol terrein ontstaan dat gekenmerkt is door een overgang van droge heide, natte heide, en moerassen (kleinezeggenmoeras) naar natgrasland (veldrusschraalland). De laagste delen bestaan uit nat hooiland (naaldwaterbies, aarvederkruid, drijven fontuinkruid en chara vulgaris) met hier en daar ondiepe poelen. De hogere delen hebben een begroeiing met knolrus en duizendknoopfonteinkruid.

Het Haeselaarsbroek is een relatief klein gebied, maar het kent een grote verscheidenheid aan specifieke leefgebieden. In deze verschillende leefgebieden komen verschillende plantensoorten voor. De overgang van de diverse planten geeft niet alleen het verschil in natheid van de bodem weer, maar het is ook een indicatie voor het verschil in aanbod van voedingsstoffen in de bodem: van voedselarme grond in de hogere delen tot zeer voedselrijke gronden in de lagere delen.

De grondwaterstanden in het gebied zijn van groot belang voor de specifieke planten die hier voorkomen. Zo zorgt kwel (grondwater dat aan de oppervlakte komt) voor zeer specifieke leefomstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan het ontstaan van verscheidene bronloopjes (ondiepe stromende beekjes). Het grondwater in het gebied is dan ook de drijvende kracht achter de grote verscheidenheid aan de voorkomende planten soorten.  

Herstel van waterstromingen en schaduw noodzakelijk

Door de aanwezige ontwateringsloten in het gebied wordt (kwel)water snel afgevoerd en droogt de bodem uit. Ook valt de beek regelmatig voor langere perioden droog. Er wordt te weinig water vastgehouden in het gebied, terwijl dit erg belangrijk is voor zowel de gewone bronlibel als de boomkikker. Het langer vasthouden van kwel in het gebied is daarom noodzakelijk.

Naast water is ook schaduw essentieel in het leefgebied van de bronlibel. De fijnsparren die in het gebied stonden, zijn grotendeels afgestorven door de verdroging van het gebied en aantasting van bastkevers. Door het wegvallen van de sparren is een groot gedeelte van de benodigde schaduw verdwenen. Het is dan ook van groot belang dat er beschaduwde bronloopjes ontstaan in het gebied.


Maatregelen

 

Opruimen dode fijnsparren

In januari 2025 hebben we een begin gemaakt met het opruimen van dode fijnsparren. Hierbij sparen we de groepen van sparren die nog overeind staan. Ook laten we stapels hout op het terrein achter om schuilplaatsen voor dieren te behouden.

Herstel natuurlijke stroom grondwater

In de loop van 2025 nemen we hydrologische maatregelen om de natuurlijke stroom van kwel te herstellen. Hierdoor wordt het gebied beter bestand tegen aanhoudende droogte en ontstaat er een geleidelijke overgang tussen droge en nattere delen. Dat is beter voor de planten in dit specifieke gebied. Het leidt daarnaast ook tot een betere leefomgeving voor soorten zoals de boomkikker en mogelijk tot de terugkeer van gewone bronlibel.

Sturing naar natuurlijk bos

Op de plaats waar we de afgestorven fijnsparren verwijderd hebben, sturen we naar een natuurlijk bos dat van oorsprong voorkomt op deze gronden. Dat is een bos dat bestaat uit elzen, wilg en berk. Deze soorten kunnen goed omgaan met zeer vochtige omstandigheden en wisselende waterstanden. Het nieuwe bos zal zorgen voor dichter terrein met een beschaduwde bodem waar de gewone bronlibel van afhankelijk is. Daarnaast zorgt het nieuwe bos ervoor dat het zuurder worden van de grond (verzuring) wordt tegengegaan. Verzuring vond eerder plaats door de ophoping van de slecht verteerbarenaalden die de sparren lieten vallen. Dit is niet het geval bij het blad van de loofbomen.

De kleine hooilanden en stukken heide maken we vrij van jonge bomen en we houden ze hierna vrij van hoge begroeiing door een combinatie van begrazing en maaien. Zo blijft er een overgang tussen dichtere begroeiing en open terrein waar soorten als de kleine zonnedauw, spiegeldikkopje, boomkikker en levendbarende hagedis baat bij hebben.

 


logo-3.png

Locatie